1.7.2. Gods heerlijkheid vanaf het begin

Schepping - vol van Gods heerlijkheid

"En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag." (Genesis 1:3-5, HSV2010)

Het licht van de eerste scheppingsdag is een geheim van de schepping waar we het minst van af weten. Het was naar mijn mening niet wat wij in het dagelijks leven als 'licht' kennen, maar een licht van een andere hoedanigheid.

Ik geloof namelijk dat dit licht hetzelfde soort licht is dat we op tal van plaatsen in de Bijbel tegenkomen als een zichtbaar licht met een bovennatuurlijke oorsprong, zoals bij de verschijning van engelen. Wat ligt er meer voor de hand dan de gedachte dat het licht van de eerste scheppingsdag niets anders was dan ... Gods heerlijkheid? God zelf is de bron van het (hemelse) licht:

"God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis." (1 Johannes 1:5, NBV2004)

Datzelfde bovennatuurlijke licht is momenteel te zien in de hemel en zal ook later te zien zijn op de Nieuwe Aarde:

"Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn." (Openbaring 22:5, NBV2004)

Dat licht van Gods scheppende, zegenende en levendmakende aanwezigheid van God bevat mogelijk het geheim van het leven zelf en van alles wat materie heeft gemaakt zoals het is. Gedurende de volgende scheppingsdagen zouden de condities worden geschapen om geschapen aards leven te onderhouden: lucht, water, vaste materie en plantengroei.

De eerste mens was bekleed met Gods heerlijkheid

Voor de zondeval was de hele wereld nog helemaal gaaf, zoals God die had geschapen. Gods heerlijkheid rustte op de hele aarde, de aarde was doordrenkt van Gods heerlijkheid. Daardoor heerste er een volkomen harmonie tussen God, de mensen en de overige levende wezens. Er bestond geen dood en verderf. Voor de mens was het normaal om goed te leven en geen zonde te doen; dat was het standaard gedrag. Hij zou wel kunnen zondigen als hij dat perse wilde (zoals later zou blijken) maar er was geen innerlijke drang tot zondigen zoals nu het geval is vanwege de erfzonde. Adam en Eva hadden als geen ander schepsel een uitstraling van Gods heerlijkheid; zij waren immers Gods vertegenwoordigers op aarde. Door die uitstraling van de goddelijke autoriteit maakten ze ongetwijfeld veel indruk op alle dieren. In de Psalmen lezen we het volgende over de manier waarop Gods de mens oorspronkelijk had geschapen:

"Toch hebt Gij hem (=de mens) bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond." (Psalm 8:6, NBG1951)

Zondeval - Gods heerlijkheid verdwijnt van de aarde

Dat veranderde allemaal bij de zondeval. De mens gehoorzaamde de satan en de aarde kwam onder de heerschappij van de satan. Gods heerlijkheid verdween van de aarde. Tegelijk verscheen de 'heerlijkheid' van de satan waardoor de geestelijke sfeer op aarde totaal omsloeg: het werd een sfeer van geestelijke duisternis. De levende wezens waren ineens sterfelijk geworden en het verderf knaagde aan al hun cellen. De dieren gingen elkaar opvreten en er ontstond een sfeer van gevaar en angst in de dierenwereld. Ook de mensen waren niet meer vanzelfsprekend geneigd tot het goede, maar geneigd tot het kwade en moesten opnieuw leren met elkaar om te gaan. Adam en Eva gaven elkaar de schuld van de zondeval: het eerste blijk van onderlinge verwijdering. Alle nakomelingen van Adam en Eva zouden als vanzelf geneigd zijn tot zondigen. Het effect van het verdwijnen van Gods heerlijkheid over de aarde was enorm:

"Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God." (Romeinen 3:23, HSV2010)

"alle mensen hebben gezondigd en moeten het stellen zonder Gods heerlijke aanwezigheid." (Romeinen 3:23, GNB1996)

Nog steeds laat de schepping Gods heerlijkheid zien

Ook al is de aarde momenteel in een staat van ontluistering, er is nog steeds heel veel moois te zien in de natuur waaruit we de grootheid van onze Schepper kunnen herkennen. Zo is Gods heerlijkheid ook nu nog zichtbaar in de schepping, maar in een andere betekenis van het woord. We kunnen in de schepping iets van Gods heerlijkheid zien, maar de aarde zelf heeft die heerlijkheid van God niet meer.

"Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar..." (Romeinen 1:20,NBV2004)

De mens kan God als het ware 'zien' in de schepping. Wat God doet en wat God heeft gemaakt laat iets zien van Hem zelf en ook dat is een afstraling van zijn heerlijkheid. Sommige mensen zien God in de schepping, maar mensen die zich daarvoor hebben afgesloten zijn er blind voor.

 

Herschepping 2.0. Een uitgebreide, samenhangende serie studies over Bijbelse onderwerpen
voor persoonlijke opbouw en gespreksgroepen over Gods herscheppende werk in het leven van de gelovige.
copyright © 2013 - voor het laatst bijgewerkt op 18 maart 2013