Over de opstanding van Jezus en de tijd
tot en met zijn hemelopname.
Details uit verschillende Bijbelboeken zijn tot één geheel
samengevoegd.
Toen Jezus aan zijn discipelen vertelde dat Hij zou worden gedood, maakte Hij het hen duidelijk dat Hij na drie dagen zou opstaan.
"Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt." Matteüs 16:21, NBV21)
Maar uit de Bijbelgedeelten over de opstandng van Jezus blijkt dat zijn discipelen zich die woorden over zijn opstanding konden herinneren. Ze hadden meegemaakt dat Jezus andere mensen uit de dood had opgewekt. Maar dat Jezus zelf ook opgewekt kon worden door God de Vader was niet bij hen opgekomen.
Toen Jezus zijn aardse leven beëindigde, riep Hij:
"... Vader, in uw handen leg ik mijn geest." (Lucas 23:46, NBV2004)
Het lichaam van Jezus was gestorven, maar zijn ziel en zijn geest bleven leven: in de geestelijke wereld, waar God woont. Dus net zo als bij 'gewone' mensen wanneer zij overlijden.
Wat deed Jezus tussen sterven en opstanding? Daar zegt de Bijbel bijna niets over. Misschien heeft de apostel Petrus die vraag ook wel aan Jezus gesteld, na zijn opstanding. In ieder geval schreef hij het volgende hierover in zijn eerste rondzendbrief:
"Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangenzaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd ..." (1 Petrus 3:18-20, NBV2004)
Dit Bijbelgedeelte roept veel vragen op en wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Ik lees het liever gewoon zoals het er staat. Jezus heeft in het dodenrijk de grote groep mensen bezocht die omkwamen tijdens de zondvloed. Jezus verkondigde aan hen dat Hij als de rechtvaardige Zoon van God was gestorven om de straf voor de zonden van onrechtvaardige mensen te dragen. Niet om tegen hen te zeggen: 'maar dat geldt niet voor jullie' maar om hen (of velen van hen) die vergeving en rechtvaardigmaking aan te bieden. Aan hen de keuze om het aan te nemen of niet. Benaderde Jezus alleen deze groep mensen of ook andere groepen mensen? Dat heeft Petrus ons niet verteld. Er is zoveel over wat er in de geestelijke wereld gebeurt wat we niet weten.
Dit bovenstaande past misschien niet in jouw of mijn opvattingen over wie er naar de hemel gaan, maar het is een feit waar we niet omheen kunnen. Jezus heeft het volste recht om zijn vergeving aan te bieden aan wie Hij wil. Laat dit ons voorzichtig maken met stellige uitspraken over wie wel of niet veroordeeld worden bij het laatste oordeel!
Zie in dit verband ook onderwerp 'Volken op de nieuwe aarde' in hoofdstuk 'Nieuwe wereld'.
De menswording van Jezus was de meest onbegrijpelijke geboorte die ooit op aarde heeft plaatsgevonden. Het plaatsvervangend lijden en sterven van Jezus was de meest bijzonder uiting van gehoorzaamheid aan God en liefde voor mensen uit de geschiedenis van de mensheid. Maar de opstanding van Jezus was minstens even wonderlijk.
Toen de satan het voor elkaar had gekregen dat de Joodse leiders Jezus lieten kruisigen, meende hij wellicht dat hij de strijd tegen Hem had gewonnen. Maar hij had niet door dat juist dit plaatsvervangend sterven juist zijn eigen nederlaag zou worden.
En als klap op de vuurpijl heeft Jezus ook de macht van de dood (de sterkste macht van de satan) onttroond door zijn opstanding vanuit het dodenrijk. Die klap zal de satan nooit meer te boven komen. De satan kon Jezus niet vasthouden in het dodenrijk omdat Hij nooit gezondigd had en er geen aanklacht tegen Hem mogelijk was.
"Hij werd overeenkomstig het raadsbesluit en de voorkennis van God uitgeleverd, en u hebt hem door goddeloze mensen aan het kruis laten slaan, laten doden. Maar God heeft hem doen opstaan, de weeën van de dood beëindigd. Het was niet mogelijk dat de dood hem vast zou houden." (Handelingen 2:23-24, GNB1996)
Jezus heeft dit enige tijd vóór zijn kruisiging al aangekondigd, toen enkele Joodse leiders Hem vroegen om een wonderteken te doen:
"Daarop reageerden enkele schriftgeleerden en farizeeën met een vraag: 'Meester, we zouden graag een teken van u zien.' Hij antwoordde: 'Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven ... en hier ziet u iemand die meer is dan Jona!' " (Matteüs 12:38-41, NBV2004)
Er is ook een praktische reden waarom Jezus na drie dagen en drie nachten wilde opstaan. Het lichaam van een overledene begint op de vierde dag met het ontbindingsproces, zoals je bijvoorbeeld kunt lezen in Johannes 11:38-40 bij de geschiedenis van de opstanding van Lazarus.
Het lichaam van Jezus mocht niet ontbinden, zoals de apostel Paulus eens in een toespraak toelichtte:
"Dat hij (=God) Jezus uit de dood heeft doen opstaan en hem niet weer aan de ontbinding zal prijsgeven, heeft hij aangekondigd met deze woorden: 'Ik zal jullie schenken wat ik David plechtig beloofd heb.' In verband hiermee wordt in een andere psalm gezegd: 'Het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan.' " (Handelingen 13:34-35, NBV2004)
Jezus had gezegd dat Hij na drie dagen en drie nachten zou opstaan. De discipelen van Jezus hebben geconstateerd dat Jezus op de eerste dag van de week was opgestaan. Op grond daarvan kan iedereen gemakkelijk berekenen dat Jezus:
Maar waarom zegt bijna iedereen dan dat Jezus op vrijdag is gestorven, ondanks dat Hij dan niet drie dagen en drie nachten in het graf was geweest? Omdat Jezus op de dag vóór een sabbat gestorven is, terwijl ze uitgegaan zijn van de wekelijkse sabbatdag van vrijdagavond tot zaterdagavond. Maar de Bijbel vermeldt dat die sabbat een bijzondere sabbat was, namelijk de dag van het Pesachfeest, en dat kan op verschillende dagen van de week zijn geweest. De dag vóór het Pesachfeest (de voorbereidingsdag) was de dag dat Jezus stierf. Kijk maar naar het volgende Bijbelgedeelte:
"De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven - want de dag van die sabbat was groot - vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden." (Johannes 19:31, NBG1951)
Bij zijn opstanding kreeg Jezus een verheerlijkt lichaam zonder enig gebrek, maar wel met de littekens aan zijn handen, voeten en zijde. Die littekens zijn uniek voor Jezus, want geen enkele gekruisigde overleefde ooit zijn eigen kruisiging.
Jezus was op die manier herkenbaar voor zijn discipelen, toen Hij voor het eerst verscheen aan al zijn discipelen toen ze bij elkaar waren. Jezus zal altijd herkenbaar blijven door deze littekens, ook bij zijn wederkomst, wanneer Hij aan het Joodse volk zal verschijnen:
"Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind ..." (Zacharia 12:10, NBG1951)
Ik denk dat Jezus op dat moment zijn littekens aan zijn volk Israël zal laten zien als overtuigend bewijs dat Hij, de Messias, dezelfde persoon is als Jezus van Nazaret die op aandringen van de Joodse leiders was gekruisigd.
En ik geloof ook dat kinderen van God de littekens van Jezus kunnen zien wanneer ze Hem ontmoeten in de hemel. Ze zullen vooral de meest indrukwekkende sieraden van Jezus zijn.
Met zijn verheerlijkte lichaam was Jezus niet meer beperkt door ruimte en tijd, zodat Hij moeiteloos uit zijn eigen grafdoeken kon stappen. Jezus kon dus ook het graf verlaten, terwijl het graf afgesloten en verzegeld was en zonder dat de bewakers daar iets van merkten.
De Joodse leiders hadden aan Pilatus gevraagd om bewaking van Jezus' graf door Romeinse soldaten. Ze zeiden:
"... Heer, wij herinneren ons dat deze verleider gezegd heeft toen Hij nog leefde: Na drie dagen zal Ik opgewekt worden. Geef dan bevel dat het graf tot de derde dag toe beveiligd wordt, opdat Zijn discipelen Hem 's nachts misschien niet komen stelen en tegen het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden ..." (Matteüs 27:63-64, HSV2010)
Merkwaardig dat de Joodse leiders deze woorden van Jezus beter hadden onthouden dan zijn eigen discipelen!
"Pilatus zei tegen hen: Hier hebt u een wacht; ga heen, beveilig het naar uw beste weten. Zij gingen erheen en beveiligden het graf met de wacht, nadat zij de steen verzegeld hadden." (Matteüs 27:65-66, HSV2010)
Nadat Jezus was begraven waren er dus bewakers bij het verzegelde graf. We mogen er van uitgaan dat er tot het moment van de opstanding niets was gebeurd. Maar toen de morgen van de opstanding aanbrak maakten de bewakers iets mee wat ze hun leven lang niet zouden vergeten:
"En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten. Zijn gedaante was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden." (Matteüs 28:2-4, HSV2010)
De bewakers moeten hebben begrepen:
De bewakers besloten dat deze wonderlijke gebeurtenis direct moest worden gerapporteerd aan hun opdrachtgevers: de Joodse leiders. Enkele bewakers bleven bij het graf, terwijl anderen naar Jeruzalem gingen.
"Toen de vrouwen nog onderweg waren, gingen een paar van de wachters naar de stad en vertelden de opperpriesters alles wat er gebeurd was. De opperpriesters en de oudsten kwamen bij elkaar en ze besloten tot de volgende maatregel. Zij gaven de soldaten een behoorlijke som geld en zeiden: 'Jullie moeten zeggen: 's Nachts kwamen zijn leerlingen en toen wij sliepen, hebben zij zijn lichaam ongemerkt weggehaald. En mocht dat ter ore komen van de gouverneur, dan zullen wij hem wel overreden en zorgen dat hij jullie ongemoeid laat.' De wachters pakten het geld aan en deden wat hun was gezegd. En dat verhaal gaat rond onder de Joden tot op de dag van vandaag." (Matteüs 28:11-15, HSV2010)
De Joodse leiders waren doodsbang dat de waarheid over de opstanding van Jezus bekend zou worden. Ze besloten zelfs om bedrog te plegen en te zondigen tegen het negende gebod, waarin God hen had verboden om een vals getuigenis te geven over iemand. Ze waren diep gezonken. Voor de zoveelste keer kozen zij ervoor om NIET in Jezus te geloven, tegen beter weten in.
De verschillende evangelisten vertellen elk hun eigen verhaal over wat enkele vrouwen hebben meegemaakt toen ze naar het graf van Jezus gingen en van hun ontmoetingen met engelen. Het waren schokkende gebeurtenissen waardoor de vrouwen erg van hun stuk waren.
Op zondagochtend (tegen zonsopgang, dus vóór 4:00 uur) gingen enkele vrouwen op weg om het lichaam van hun geliefde Meester te verzorgen:
Ze worden genoemd in de volgende Bijbelgedeelten uit de vier evangeliën:
"En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf afgenomen was." (Johannes 20:1, HSV2010)
"Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde, kwam Maria uit Magdala met de andere Maria naar het graf kijken." (Matteüs 28:1, NBV2004)
"Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf." (Marcus 16:1-2, NBV2004)
"De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden..." (Lucas 24:10, NBV2004)
Onderweg realiseerden de vrouwen zich plotseling dat ze een probleem hadden: Er was een zware steen voor de opening van het graf, maar die konden ze natuurlijk niet verplaatsen. Zo'n ronde grafsteen woog minstens 1200 kilogram!
"Ze zeiden tegen elkaar: 'Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?' " (Marcus 16:3, NBV2004)
De vrouwen zagen wel de bewakers bij de verzegelde grafspelonk, maar die zouden hen eerder wegjagen dan een poging doen om hen behulpzaam te zijn. Maar toen maakten de vrouwen mee dat er van hogerhand werd ingegrepen:
"En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten. Zijn gedaante was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw." (Matteüs 28:2-3, HSV2010)
De vrouwen sloten hun ogen vanwege het felle licht, dat leek op een bliksemschicht. En in plaats van een donderslag hoorden ze waarschijnlijk een plofgeluid. Toen ze hun ogen durfden te openen zagen ze dat de grafsteen was weggerold en plat op zijn kant lag.
"Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek ...." (Lucas 24:2-4, NBV2004)
Plotseling zagen ze één of twee engelen die bij hen kwamen staan:
"... zie, twee mannen stonden bij hen in blinkende gewaden. En toen zij zeer bevreesd werden en het gezicht naar de grond bogen, zeiden die tegen hen: Waarom zoekt u de Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt ..." (Lucas 24:4-6, HSV2010)
"... U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd." (Marcus 16:6, NBV2004)
Fijntjes voegden de engelen er het volgende aan toe:
"... Herinner u wat Hij gezegd heeft toen Hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan." (Lucas 24:6-7, NBV2004)
De vrouwen hadden inderdaad kunnen weten dat Jezus uit de dood zou opstaan. Jezus had het immers diverse keren gezegd (Matteüs 16:21; 20:18-19). Maar destijds konden ze niet vatten wat Jezus hen probeerde duidelijk te maken, of ze WILDEN het niet geloven. Vaak worden profetieën van tevoren niet begrepen, maar pas nadat ze in vervulling zijn gegaan. De evangelist Lucas voegt aan zijn verhaal de volgende betekenisvolle woorden toe:
"En zij herinnerden zich Zijn woorden." (Lucas 24:8, HSV2010)
Ja, toen pas gingen de ogen van de vrouwen open voor de werkelijkheid.
De engelen hadden de vrouwen ook een belangrijke boodschap voor de apostelen meegegeven:
"En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: 'Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.' Dat is wat ik jullie te zeggen had." (Matteüs 28:7, NBV2004)
"Maar ga heen, zeg tegen Zijn discipelen, en Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft." (Marcus 16:7, HSV2010)
Het is opvallend dat van alle mensen rondom Jezus' opstanding enkele vrouwen de enigen waren die engelen hebben ontmoet. Ook is het opmerkelijk dat engelen berichten voor de discipelen doorgaven aan vrouwen, en niet aan de discipelen zelf. Was het een manier waarop God deze vrouwen beloonde voor hun trouw?
Het was allemaal te veel voor de vrouwen om ineens te kunnen verwerken. Hals over kop renden ze bij het graf vandaan.
"Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden." (Marcus 16:8, NBV2004)
De vrouwen gingen zo snel mogelijk naar de discipelen om hen het grote nieuws te vertellen. Ze zeiden dat ze een leeg graf hadden aangetroffen en ook nog engelen hadden gezien die hadden gezegd dat Jezus was opgestaan. Maar ze hadden geen idee waar Jezus was gebleven. Ze vertelden hen alles wat de engelen tegen hen hadden gezegd.
De discipelen wisten nauwelijks dat de vrouwen naar het graf waren gegaan. Ze hadden wel wat anders aan hun hoofd. Ze treurden om de dood van Jezus die zoveel voor hen betekende. Hun verwachtingen over een toekomst samen met Jezus een nieuw koninkrijk op te zetten waren uit elkaar gespat. Alles was weg en alles was voor niets geweest.
Ze hadden ook de deuren op slot gedaan uit angst voor de Joden. Want stel je voor dat zij ook opgepakt zouden worden. Die angst was heel reëel. De discipelen waren volledig in beslag genomen door hun rouwproces, teleurstelling, verdriet en angst. En toen kwamen de dames eraan: hijgend van het harde lopen en helemaal gestrest. Opgewonden vertelden ze hun belevenissen. Maar hun verhalen klonken zo absurd dat ze hun schouders erover ophaalden.
"En hun woorden leken hun kletspraat en zij geloofden hen niet." (Lucas 24:11, HSV2010)
Vergeet niet dat in die tijd getuigenissen van vrouwen niet als overtuigend bewijs werden beschouwd omdat hun verhalen inbeeldingen konden zijn. Maar Jezus had van tevoren ook al tegen de discipelen gezegd dat Hij na drie dagen zou opstaan. Als het goed was zouden de discipelen zich dat achteraf herinneren en dus hoorden ze te weten dat de vrouwen echt de waarheid hadden gesproken over de opstanding van Jezus.
De mannenbroeders Petrus en Johannes gingen uiteindelijk toch naar het graf om de FEITEN te onderzoeken. Misschien was er toch iets waar van wat de vrouwen gezegd hadden. Johannes schreef er het volgende over:
"Petrus en de andere leerling (=Johannes zelf) gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. " (Johannes 20:3-7, NBV2004)
Petrus en Johannes deden wie het eerst bij het graf aankwam. Johannes liep iets sneller, maar toen hij bij het graf gekomen was, aarzelde hij even om de grafspelonk in te gaan. Hij had even tijd nodig om na te denken. Zodoende won Petrus de wedstrijd. En omdat hij niet wist wat nadenken was, stapte hij meteen naar binnen.
"Petrus ... bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was." (Lucas 24:12, NBV2004)
Petrus vond het allemaal erg wonderlijk, maar hij was nog niet zover dat hij geloofde dat Jezus zelf uit het graf was opgestaan. Kennelijk was er meer nodig om hem te overtuigen.
Daarna kwam Johannes in beweging.
"Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde." (Johannes 20:8, HSV2010)
Waarom was Johannes ineens ervan overtuigd dat Jezus moest zijn opgestaan? In die tijd werd het lichaam van een gestorvene gewikkeld in een linnen doek van wel 30 meter lang, vanaf de voeten tot en met de schouders. Het hoofd werd bedekt of omwonden met een veel kleinere doek, die ook zweetdoek werd genoemd. Johannes zag in de windsels duidelijk de vorm van een lichaam, als een mummie waarbij het lichaam zelf was verdampt of op een mysterieuze manier uit de windsels was verdwenen. Toen was Johannes ervan overtuigd van het FEIT dat Jezus uit de windsels was gestapt alsof Hij een geest was. De zweetdoek was op een ordelijke manier opgerold of opgevouwen. Het was dus onmogelijk dat het lichaam van Jezus uit het graf was geroofd, want dan was alles niet zo achtergelaten. Dus wist Johannes zeker: Jezus is lichamelijk opgestaan, zoals Hij diverse keren had gezegd. De vrouwen hadden dus toch de waarheid gesproken!
Petrus en Johannes gingen weer naar huis en vertelden wat ze hadden gezien. Ik denk niet dat Johannes de anderen toen heeft kunnen overtuigen van de opstanding van Jezus. Maar we lezen ook niet in de Bijbel dat die andere discipelen zelf naar het graf zijn geweest om het met hun eigen ogen te zien. Kortom: ze waren nog niet overtuigd.
Toch had Petrus later op die eerste dag een persoonlijke ontmoeting met Jezus. De Bijbel vermeldt er geen details over, alleen de woorden die de Emmaüsgangers hoorden toen ze hun verhaal deelden met de discipelen die bij elkaar waren:
"... De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!" (Lucas 24:34, NBV2004)
Petrus wordt hier 'Simon' genoemd en dat is opmerkelijk. Mogelijk had Petrus eerder tegen de anderen gezegd: "Noem mij vooral nooit meer Petrus, want ik heb Jezus driemaal verloochend. Ik ben die naam niet meer waard." Ongetwijfeld is het tijdens die ontmoeting weer goed gekomen tussen Jezus en Petrus. Vervolgens had Petrus aan de anderen verteld dat hij Jezus had ontmoet. Waarschijnlijk waren de anderen toen pas overtuigd van Jezus' opstanding.
Er waren vrouwen uit Galilea die de laatste jaren met Jezus meetrokken door het land. Zij ondersteunden Hem en zijn naaste discipelen op allerlei manieren.
"... De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren - Maria van Magdala, uit wie zeven demonen waren weggegaan, Johanna, de vrouw van Chusas, een hoge beambte van Herodes, en Susanna - en nog vele andere vrouwen, die hen uit eigen middelen onderhielden." (Lucas 8:1-3, WV2012)
De bekendste van deze vrouwen was Maria uit Magdala en zij was de eerste persoon die een ontmoeting had met de opgestane Heer.
"Toen hij (=Jezus) vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven." (Marcus 16:9, NBV2004)
Maria was al eerder bij het graf geweest, maar ze was weer teruggegaan. Ze zag Petrus en Johannes aankomen en toen die teruggingen naar de anderen, bleef Maria bij het graf achter.
"De leerlingen gingen terug naar huis. Maria stond nog bij het graf en huilde ..." (Johannes 20:10-11, NBV2004)
Maria keek nog een keer in het graf en vroeg zich nog steeds af waar Jezus was. De engelen hadden gezegd dat Hij was opgestaan, maar hadden de engelen Hem ergens heen gebracht? Ze wist het allemaal niet meer en begon te huilen. En toen gebeurde er iets bijzonders.
"... Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 'Waarom huil je?' vroegen ze haar. Ze zei: 'Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.' " (Johannes 20:11-13, NBV2004)
Ze bedoelde natuurlijk: "Weten jullie soms waar zijn lichaam is?" De engelen gaven Maria geen antwoord op de vraag die haar bezig hield. Dat antwoord kwam namelijk op een andere manier naar haar toe...
Op dat moment hoorde Maria het geluid van naderende voetstappen achter zich. Ze keek achter zich, over haar schouder heen, en zag door haar tranen heen dat het niet NOG een engel was, maar een 'gewone' man.
"En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich naar achteren en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was. Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u? ..." (Johannes 20:14-15, HSV2010)
Weer diezelfde vraag: waarom huil je? Die man was zeker een tuinman. Wie anders zou op het idee komen om zo vroeg in de morgen naar de graftuin te komen? Maria dacht nog steeds dat het (dode) lichaam van Jezus ergens anders heen was gebracht. De woorden over de opstanding van Jezus waren kennelijk nog niet goed tot haar doorgedrongen. En Maria had helemaal niet door waarom zowel de engelen als de 'tuinman' haar hadden gevraagd waarom ze huilde. Achteraf zou ze weten dat ze bedoelden te zeggen dat ze helemaal geen reden meer had om te huilen omdat Jezus weer leefde. Maar zover was ze nog niet. Ze stond nog steeds bij het graf, met haar gezicht naar de grafspelonk terwijl de 'tuinman' achter haar stond. Ze keek Hem niet aan en zei op een droevige toon:
"... Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen." (Johannes 20:15, NBV2004)
Maria was behoorlijk in de bonen. Wat bedoelde ze met 'kan ik hem meenemen'? Wilde ze soms het lichaam van Jezus over haar schouder leggen en naar het graf terugbrengen?
De 'tuinman' vond dat het tijd werd om haar uit haar nare droom wakker te maken. Jezus gaf geen antwoord op haar vraag, want Hij was ZELF het antwoord. Dat mocht Maria nu zelf ontdekken.
" 'Maria!' zei Jezus tegen haar. Zij draaide zich om en zei in het Aramees: 'Rabboeni!' Dat betekent: ‘Meester!' " (Johannes 20:16, GNB1996)
Ze hoorde haar naam in het Aramees uitspreken (Mirjam). Vreemd dat een tuinman uit Jeruzalem haar naam kende en nog wel in haar taal. En die stem, dat leek wel de stem van ... Ze draaide zich met een ruk om en keek de 'tuinman' in de ogen. En ineens ZAG ze het, ze zag HEM! Als in een reflex reageerde Maria ook in het Aramees: "Rabboeni!" (mijn lieve Meester!).
" 'Houd me niet vast,' zei Jezus. 'Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.' Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: 'Ik heb de Heer gezien!' En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had." (Johannes 20:17-18, NBV2004)
Jezus vond het niet erg dat Maria Hem vastpakte bij haar begroeting, maar zei wel dat ze zich niet aan Hem moest vastklampen, omdat Hij binnenkort de aarde zou verlaten. Ze moest er rekening mee houden dat dit wel eens de laatste of één van de laatste ontmoetingen met Hem kon zijn.
Johannes (een man) was overtuigd van Jezus' opstanding door het FEIT van de windsels in het graf; Maria (een vrouw) was even later overtuigd door een ontmoeting. Mooi hoe Jezus ieder van hen op HUN manier benaderde.
Maria haastte zich om aan de groep discipelen vertellen dat ze een persoonlijke ontmoeting met Jezus had gehad. Ze had verwacht dat de anderen haar nu wel wilden geloven. Maar helaas, haar verhaal werd voor de tweede keer weggewuifd als een verhaal van een vrouw met te veel fantasie.
"Die ging heen en berichtte het aan hen die bij Hem geweest waren, die treurden en huilden. En toen die hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet." (Marcus 16:10-11, HSV2010)
Een van de meest geliefde verhalen uit het evangelie van Lucas is de geschiedenis van twee mannen die op weg waren naar Emmaüs, ongeveer 11 km ten noordwesten van Jeruzalem. Een van hen heette Kleopas, in de Bijbel ook wel Klopas genoemd (Johannes 19:25) of Alfeüs (Matteüs 10:3). Hij was de vader van de apostel Jakobus. Wie de andere persoon was is niet bekend. In ieder geval waren het volgelingen van Jezus die in nauw contact stonden met de elf discipelen en wellicht eerder die dag bij hen waren geweest.
"Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden." (Lucas 24:13-16, NBV2004)
Ze hadden Jezus van dichtbij meegemaakt, dus ze zouden Hem gemakkelijk kunnen herkennen. Maar het lijkt erop dat Jezus ervoor zorgde dat ze Hem niet herkenden, maar dat ze dat zelf mochten ontdekken.
Jezus begon een open gesprek met de beide mannen:
"Hij sprak tot hen: 'Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?' Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: 'Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?' " (Lucas 24:17-18, WV2012)
Dit is ronduit komisch! De mannen dachten dat ze ontmoeting hadden met de enige persoon die NIET wist wat er met Jezus gebeurd was, terwijl het de enige persoon was die het WEL wist! Jezus had hen natuurlijk meteen uit de droom kunnen helpen door iets te zeggen als: "Ik ben Jezus en ik ben opgestaan uit de dood!" Maar Jezus wilde dat ze het zelf zouden ontdekken. De afgelopen drie jaar had Jezus diezelfde aanpak gehanteerd. Hij zei niet tegen de mensen: "Kijk, Ik ben de beloofde messias!" Maar Hij daagde hen uit om dat zelf te ontdekken vanuit zijn woorden en daden.
"Jezus vroeg hun: 'Wat dan?' Ze antwoordden: 'Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. Onze hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat hij leeft. Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.' " (Lucas 24:19-24, NBV2004)
De Emmaüsgangers waren duidelijk teleurgesteld en verward door de gebeurtenissen. Kennelijk was Jezus niet de beloofde verlosser van Israël, maar wie was Hij dan wel? En met zijn kruisiging was al hun hoop vervlogen.
"Toen zei hij tegen hen: 'Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?' Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten." (Lucas 24:25-27, NBV2004)
Jezus legde hen uit dat de Schrift (het Oude Testament dus) profetieën bevat over wat Hem was overkomen. Het paste allemaal in Gods grote plan met de wereld dat Jezus doelbewust zijn leven had afgelegd en vervolgens was opgestaan. De Emmaüsgangers namen de uitleg van Jezus gretig in hun hart op en hun innerlijk begon als het ware te gloeien van blijde ontdekking.
Toen ze in Emmaüs aankwamen deed Jezus alsof Hij verder wilde lopen. Jezus wilde dat ze zelf een keuze zouden maken: (1) Hem bedanken voor de prachtige Bijbeluitleg en zeggen dat ze over zouden nadenken (2) Hem uitnodigen om meer van Hem te horen. De twee mannen hadden honger naar meer waarheid en vroegen Jezus om bij hen thuis te komen eten. Toen Jezus zogenaamd aarzelde, vroegen ze het nog een keer en wel zo dringend dat Jezus er niet meer onderuit kon.
"Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden: 'Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.' Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen." (Lucas 24:28-29, NBV2004)
Het leek erop dat Jezus alle tijd had. Toen ze begonnen te eten werd Jezus gevraagd om hen voor te gaan in het zegengebed voor de maaltijd.
"Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun blik." (Lucas 24:30-31, NBV2004)
Hoe ontdekten ze dat Jezus bij hen was? Door de manier waarop Hij God zegende en dankte voor het eten? Of doordat ze de littekens op zijn beide handen zagen? Op dat moment verdween Jezus even plotseling en geruisloos uit hun midden als dat Hij bij hen gekomen was. Ze gingen helemaal uit hun dak van blijdschap. Ze hadden Jezus gezien! En ook al zagen ze Hem niet meer met hun ogen, met hun geestelijke zintuigen BLEVEN ze Hem zien!
Wanneer iemand een echte ontmoeting met Jezus heeft gehad kan hij het eenvoudigweg niet voor zichzelf houden maar MOET hij er met anderen over praten. Ken je dat uit eigen ervaring? Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.
"En meteen stonden ze op en gingen terug naar Jeruzalem. Ze gingen naar de elf leerlingen, die daar bij elkaar waren met de andere leerlingen." (Lucas 24:33, BGT2012)
Ondanks het late tijdstip liepen de twee Emmaüsgangers zo snel mogelijk terug naar Jeruzalem om de elf discipelen te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Uit het bovenstaande Bijbelgedeelte blijkt dat er ook andere volgelingen van Jezus bij hen waren. Daar werden ze enthousiast begroet met de woorden:
"... De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!" (Lucas 24:34, NBV2004)
De andere aanwezige discipelen waren intussen overtuigd van het feit van Jezus' opstanding. Toen de vrouwen erover vertelden, wilden ze het niet geloven. Van Petrus hadden ze het wel aangenomen. En door het verhaal van de Emmaüsgangers werd hun geloof alleen maar versterkt.
Jezus is tweemaal verschenen aan zijn discipelen terwijl ze ergens is een huis of zaal bij elkaar waren. We moeten daarbij denken aan de elf naaste discipelen van Jezus en waarschijnlijk ook enkele anderen die veel met Jezus hadden opgetrokken. Kennelijk hadden ze elkaar weer opgezocht na het sterven en de begrafenis van Jezus. Mogelijk kwamen ze samen in de bovenzaal, waar ze de laatste pesachmaaltijd hadden gevierd (Marcus 14:15, Lucas 22:12).
De deuren waren zorgvuldig gesloten, uit angst voor vervolging vanwege hun relatie met Jezus, die door de Joodse leiders werd beschouwd als de gevaarlijkste bedreiging voor hun godsdienst.
"Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden ... " (Johannes 20:19, NV2004)
De discipelen hadden een heftige dag gehad. Ze waren erachter gekomen dat het graf van Jezus leeg was. Enkele vrouwen hadden verteld dat ze engelen ontmoet hadden die vertelden dat Jezus was opgestaan. En Maria van Magdala zei dat ze Jezus had gesproken. En ook Petrus had een ontmoeting met Hem gehad. Jezus moest dus inderdaad zijn opgestaan, maar ze konden het nog geen plek geven in hun leven. De twee 'Emmaüsgangers' waren zojuist binnengekomen en beweerden dat ze langdurig met Jezus hadden gesproken.
"Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ " (Lucas 24:36, NBV2004)
De gesloten deuren hadden Jezus niet tegen kunnen houden. Jezus had nu immers een 'verheerlijkt' lichaam, waarmee Hij niet gebonden was aan de aardse grenzen van tijd en ruimte. Jezus begroette zijn vrienden met: "Vrede zij u! (Shalom!)" Dat was de vertrouwde groet die ze talloze keren uit Jezus' mond hadden gehoord. Maar de discipelen schrokken zich wild toen ze Hem zagen. Was dit echt Jezus of keken ze naar een geestverschijning?"
"Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien." (Lucas 24:37, NBV2004)
Jezus zag hun angst en vertwijfeling en ging hen er vervolgens van overtuigen dat Hij echt uit de dood was opgestaan en lichamelijk bij hen aanwezig was.
"Maar hij zei tegen hen: 'Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.' Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: 'Hebben jullie hier iets te eten?' Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. Hij nam het aan en at het voor hun ogen op." (Lucas 24:38-43, NBV2004)
Om alle aanwezigen nog duidelijker te overtuigen van zijn lichamelijke opstanding uit de dood, liet Jezus hen de littekens van de kruisiging zien en ze mochten die ook met hun handen betasten. Jezus at ook een hapje mee om hen ervan te overtuigen dat Hij geen geest was, maar een echt lichaam had.
"Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften." (Lucas 24:44-45, NBV2004)
Toen Jezus hen haarfijn had uitgelegd dat zijn lijden en sterven een belangrijk onderdeel van zijn aardse roeping was begon de werkelijkheid tot zijn vrienden door te dringen. En toen zagen ze het en wisten ze het zeker! Jezus was opgestaan uit de dood en Hij was weer bij hen, net als voorheen.
Maar er was nog iets wat Jezus met zijn discipelen wilde bespreken, namelijk hun roeping om het evangelie van Gods koninkrijk aan de hele wereld te brengen. Daardoor zouden ze niet langer alleen maar discipelen van Jezus zijn. Ze werden bevorderd tot apostelen (= uitgezondenen) van Jezus.
"En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen." (Marcus 16:15, HSV2010)
"... Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u." (Johannes 20:21, HSV2010)
Zie meer daarover in onderwerp 'Uitzending van de apostelen' verderop in dit hoofdstuk.
Bij de eerste verschijning van Jezus achter gesloten deuren was Tomas er niet bij geweest. Was hij zo van slag dat hij zich helemaal in zichzelf had teruggetrokken? En toen kwamen de andere discipelen hem opzoeken om te vertellen van hun ontmoeting met Jezus. Maar hij was nog niet in staat om het goede nieuws te bevatten. Hij zei:
"... Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven." (Johannes 20:25, NBV2004)
Waarschijnlijk namen de andere discipelen het Tomas kwalijk dat hij zo reageerde. Hoe kon die man zo stug volhouden aan zijn ongeloof, terwijl zij Hem allemaal gezien hadden? Tomas was inderdaad ongelovig en tegelijk een oprechte twijfelaar. En laten we ook niet vergeten dat mensen verschillend kunnen reageren op traumatische gebeurtenissen. Mensen die bijvoorbeeld kort geleden een ernstig verlies hebben geleden staan ook niet direct te juichen als een medegelovige hen allerlei Bijbelse beloften aanreikt.
Tomas was inmiddels weer bij de club gekomen en hij kwam weer met de anderen samen. Als hij bij de anderen was, zou hij immers de beste kans hebben om Jezus te zien ALS Hij inderdaad echt was opgestaan uit de dood. Tomas dacht gewoon erg praktisch en dat is een prima eigenschap.
Tomas was dus ook aanwezig toen Jezus een week later nog een keer verscheen op dezelfde plaats en op dezelfde manier. Speciaal om Tomas te overtuigen van zijn opstanding. Zo is Jezus: Hij heeft oog voor de enkeling en Hij heeft geduld met mensen die meer tijd en duidelijke bewijzen nodig hebben om iets voor waar aan te nemen.
" ... 'Ik wens jullie vrede!' zei hij, en daarna richtte hij zich tot Tomas: 'Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.' " (Johannes 20:26-27, NBV2004)
De woorden van Jezus klonken naar mijn mening niet verwijtend, maar begripvol en aanmoedigend. Jezus gaf Tomas ruimschoots de gelegenheid om met zijn ogen te zien en met zijn handen te voelen dat Hij echt lichamelijk was opgestaan. Zijn zwaarmoedigheid verdween. Het licht van Gods heerlijkheid ging stralen in zijn hart. Hij zag niet alleen dat Jezus echt lichamelijk was opgestaan, maar hij zag zijn goddelijkheid. Zijn hart stroomde over van ontzag en aanbidding en met een enthousiasme dat niemand ooit bij Tomas gezien had riep hij uit:
"... Mijn Heer, mijn God!" (Johannes 20:28, NBV2004)
Jezus was nog nooit tijdens zijn leven op aarde zó aangesproken, met zoveel geloof in zijn goddelijkheid. De 'ongelovige Tomas' was volledig overtuigd en overduidelijk een 'gelovige Tomas' geworden! Waarschijnlijk was hij zo overtuigd dat hij niet eens de moeite nam om de littekens van Jezus te betasten, terwijl Jezus hem nadrukkelijk had gezegd dat hij dat mocht doen..
"Jezus zei tegen hem: 'Omdat je me gezien hebt, geloof je ..." (Johannes 20:29, NBV2004)
Jezus toonde dat Hij blij was met zijn enthousiaste geloofsbelijdenis. Hiermee herstelde Jezus bovendien het aanzien van Tomas bij de andere discipelen, want Jezus NOEMDE hem ook een 'gelovige Tomas'. En met zijn prachtige geloofsbelijdenis was hij waarschijnlijk een flinke stap verder gekomen dan de meeste andere discipelen.
Ik vind dit zo'n prachtige geschiedenis omdat daaruit blijkt dat Jezus geduld heeft met mensen die wat meer tijd nodig hebben dan anderen om een stap in geloof te zetten. Jezus was speciaal gekomen om Tomas over de streep te trekken. Wat een liefde, invoelingsvermogen en geduld van Jezus, die precies weet hoe Hij mensen met verschillende karakters kan helpen om Hem (beter) te leren kennen!
De volgende opmerking van Jezus was waarschijnlijk niet bedoeld voor Tomas, maar voor jou en mij en iedereen die over deze geschiedenis heeft gehoord en ook hebben erkend dat Jezus ook HUN Heer en God is:
"... Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven." (Johannes 20:28-29, NBV2004)
Eigenlijk is dit een soort zaligspreking.
Volgens de overleveringen is Tomas later een ijverige zendeling en ambassadeur van Jezus geworden tot in India. Daar zou hij als martelaar voor Jezus zijn gestorven. In dat opzicht heeft hij bepaald niet ondergedaan voor de tien andere apostelen. Ook vandaag is er hoop voor oprechte twijfelaars en mensen die niet zo vlot tot geloof komen! Ze komen misschien langzaam op gang, maar ze komen uiteindelijk vaak verder dan snelle starters!
Uit de vier evangeliën blijkt dat Jezus de laatste weken alleen optrok met zijn elf discipelen, om hen voor te bereiden voor hun taak als zijn apostelen.
Nog maar enkele dagen geleden, op de avond van de laatste pesachmaaltijd, had Jezus nadrukkelijk tegen de discipelen gezegd dat Hij hen na zijn opstanding in Galilea wilde ontmoeten:
"Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea." (Marcus 14:28, NBV2004)
De engelen hadden dezelfde boodschap aan de vrouwen meegegeven, die ze aan de apostelen moesten doorgeven:
"Maar ga heen, zeg tegen Zijn discipelen, en Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft." (Marcus 16:7, HSV2010)
En toch kwam niemand van hen op het idee om zo gauw mogelijk naar Galilea te gaan. Acht dagen later zaten ze nog steeds in Jeruzalem (Johannes 20:26) toen Jezus daar voor de tweede maal verscheen om zich speciaal aan Tomas te vertonen. Jammer van die verloren dagen!
In Johannes 21 lezen we dat de discipelen uiteindelijk toch naar Galilea zijn gegaan. Ze hoopten dat ze weer op de oude voet verder zouden verder gaan als Jezus bij hen kwam. Ze wisten niet de exacte plaats van ontmoeting en toen er een tijdje niets gebeurde werd Petrus een beetje ongedurig. Zo was Petrus gewoon.
"Petrus zei: 'Ik ga vissen.' 'Wij gaan met je mee,' zeiden de anderen ..." (Johannes 21:3, NBV2004)
Het waren niet allemaal vissers van beroep. We lezen dat een man als Natanaël uit Kana ook meedeed (Johannes 21:2). Hij was een boer, die waarschijnlijk nog nooit van zijn leven een visnet in zijn handen had gehad. Petrus moet wel gedacht hebben: "Heerlijk! Weer op het water, net als vroeger!" In ieder geval zeilden ze broederlijk over het meer van Tiberias.
"... Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets." (Johannes 21:3, NBV2004)
Helaas, zonder succes.
"En toen het al ochtend geworden was, stond Jezus aan de oever, maar de discipelen wisten niet dat het Jezus was. Jezus dan zei tegen hen: Kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten? Zij antwoordden Hem: Nee." (Johannes 21:4-5, HSV2010)
De vreemdeling sprak hen aan met 'kinderen' en dat zei men alleen tegen jonge mensen of goede bekenden. Aan de werkwoordsvorm in de Griekse brontekst is te zien dat de spreker het antwoord 'nee' verwachtte. Een betere weergave zou zijn: "Jullie hebben zeker geen lekker visje voor me gevangen, hè?" Helaas moesten ze toegeven dat ze inderdaad niets hadden gevangen, maar hoe wist die vreemdeling dat? Ze hadden nog niet door dat het Jezus was die hen had toegeroepen.
"Toen zei Jezus: 'Gooi het net dan uit aan de rechterkant van de boot, dan zullen jullie wel wat vangen!' Dat deden ze. Toen zat het net zo vol met vissen, dat ze het niet meer aan boord konden trekken. De leerling van wie Jezus veel hield, zei tegen Petrus: 'Het is de Heer!'..." (Johannes 21:6-7, BGT2014)
Jezus riep dat ze het net aan de stuurboordkant moesten uitwerpen. Elke visser wist dat dat erg onpraktisch was. De rechterkant van het schip is namelijk de kant van het roer waarmee het schip bestuurd wordt. Dat roer zat niet aan de achterkant, maar rechts achteraan in de vorm van een roeispaan. Vandaar de scheepsterm 'stuurboord' voor rechts. Het net zou aan de rechterkant verstrengeld kunnen raken met het roer en het schip onbestuurbaar maken. Misschien betekende het wel dat het schip (bijna) stil zou blijven liggen.
Maar toch luisterden de discipelen naar het advies van de vreemdeling, misschien uit beleefdheid. Het gevolg was overdonderend: een overvloedige hoeveelheid vis. Hoe kon dit? De hele nacht niets vangen, en nu een net zo vol dat het niet te tillen was. Johannes had als eerste door wie de vreemdeling was. Hij herkende in deze situatie de hand van zijn Meester. Ze hadden dit immers eerder meegemaakt!." Het is de Heer!", brulde hij naar de anderen. Inderdaad, ZONDER Jezus hadden ze niet gepresteerd en hadden ze bot gevangen, maar MET Jezus vingen ze een grote hoeveelheid vis. Dat is les 1 van het discipelschap en van de kunst om vissers van mensen te worden: Jezus gehoorzamen, precies doen wat Hij gezegd heeft en je afhankelijk weten van zijn hulp.
"... Het (=het net) zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet." (Johannes 21:11, NBV2004)
Toen Petrus doorhad dat Jezus aan de kant stond, liet hij de netten uit zijn handen glijden, want hij wilde direct naar Jezus.
"... Toen Petrus dat hoorde, deed hij zijn bovenkleren aan Hij had namelijk alleen een hemd aan." (Johannes 21:7, BGT2014)
Vissers doen hun werk meestal met alleen een onderkleed aan, terwijl ze hun bovenkleding ergens in de boot laten liggen. De evangelist Johannes noemde dit detail omdat het komisch was. Petrus deed dus zijn bovenkleding aan, want hij wilde bij Jezus niet in zijn hemd staan. En toen liep hij door het tamelijk hoog staande water zo snel mogelijk naar de kant, waardoor hij van top tot teen kletsnat werd. Dat was de spontane Petrus en zijn liefde voor Jezus was ook spontaan en eerlijk.
"De andere leerlingen gingen met de boot naar het land. Ze waren er niet ver vandaan, ongeveer 100 meter. Ze sleepten het net met de vissen achter de boot aan." (Johannes 21:7-8, BGT2014)
De keerzijde van het spontane karakter van Petrus was dat hij de anderen nu het zware werk liet doen. Even later kwamen de anderen eraan en lieten ze de boot stranden op de oever. Zij konden nu hun bovenkleding uit de boot pakken en aantrekken. Zo kwamen ze met droge kleding bij Jezus aan. Petrus stond als enige te druipen en te bibberen. Hij zal wel het nodige commentaar van zijn vrienden hebben gekregen...
"Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. Jezus zei: 'Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.' Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land." (Johannes 21:10, NBV2004)
Het werd weer net als voorheen! Jezus en de discipelen die met elkaar gingen eten.
"Jezus zei tegen hen: 'Kom, eet iets.' Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan." (Johannes 21:12-14, NBV2004)
Jezus zorgde voor brood en vis, net zoals bij de wonderbaarlijke spijziging toen Jezus duizenden mensen te eten gaf. Maar deze keer was het een privé ontmoeting alleen met zijn beste vrienden.
Toch keken ze een beetje onwennig naar Jezus. Niemand durfde Hem te vragen of Hij echt wel Jezus was, want ze wisten dat Hij het was. Maar Jezus moet met zijn verheerlijkte, vernieuwde lichaam toch een andere uitstraling hebben gehad dan voorheen.
Nadat Jezus en zijn discipelen hadden gegeten, vroeg Jezus plotseling aan Petrus of hij nog steeds meer van Hem hield dan alle anderen. Petrus had op de dag van Jezus' gevangenneming beweerd dat hij meer van Jezus hield dan alle anderen (Matteüs 26:33). En uitgerekend Petrus had Jezus driemaal verloochend en bewezen dat zijn toewijding voor Jezus geen stand had gehouden. Petrus was daardoor natuurlijk erg afgegaan tegenover de anderen. Hij wist dat hij het niet langer verdiende om hun leider te zijn. Jezus stelde deze vraag ook driemaal aan Petrus, maar noemde hem wel bij zijn oude naam: Simon (dat betekent rietstengel) en niet Petrus (rotsman). Jezus gaf Petrus de gelegenheid om voor elke keer dat hij Jezus verloochend had, te vertellen dat hij van Jezus hield. Om daardoor afstand te nemen van gemaakte fouten en om zijn reputatie te zuiveren.
"(1) ... 'Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan
de anderen hier?'
Petrus antwoordde: 'Ja, Heer,
u weet dat ik van u houd.'
Hij zei: 'Weid mijn lammeren.'
(2) Nog eens vroeg hij: 'Simon, zoon van
Johannes, heb je me lief?'
Hij antwoordde: 'Ja,
Heer, u weet dat ik van u houd.'
Jezus zei: 'Hoed mijn schapen,'
(3) en voor de derde maal vroeg hij hem:
'Simon, zoon van Johannes, houd je van me?'
Petrus werd
verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield.
Hij zei: 'Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.'
Jezus zei: 'Weid mijn schapen. " (Johannes
21:15-17, NBV2004)
Let op: in dit Bijbelgedeelte worden twee uitdrukkingen gebruikt die hetzelfde lijken, maar toch verschillend zijn: 'houden van' en 'liefhebben'. Mooi dat de NBV vertaling dat zo duidelijk laat uitkomen. Het woord 'liefhebben' heeft betrekking op de ware, onbaatzuchtige, zegenende liefde, terwijl met 'houden van' de minder diepgaande, sociale liefde wordt bedoeld. Jezus vroeg Petrus eerst twee keer of hij die hoogstaande liefde voor Hem had. Beide keren antwoordde Petrus dat hij wel van Jezus hield, maar durfde het geen liefde te noemen.
Jezus wist dat Petrus die pure zegenende liefde niet kon opbrengen, want dat is een soort liefde die alleen God een mens in het hart kan geven. Dus de derde keer vroeg Jezus of Petrus dan op het menselijke vlak van Hem hield. Waarop Petrus het te kwaad kreeg en uitriep dat hij dat echt wel deed. Dat wist Jezus toch? Jezus was tevreden met zijn antwoorden in het besef dat Petrus kort daarna met de Heilige Geest gedoopt zou worden. Daardoor zou hij WEL in staat zijn om Jezus met die goddelijke, onbaatzuchtige liefde lief te hebben!
Petrus had Jezus driemaal verloochend. Nu had hij zijn liefdevolle toewijding driemaal aan Jezus beleden en de andere discipelen waren daar getuige van. Jezus had driemaal uitgesproken dat Hij hem vertrouwde en de zorg voor schapen (=gelovigen aan wie hij leiding zou geven) toevertrouwde. Alle apostelen begrepen dat Jezus Petrus weer toevertrouwde om de leider van de groep te zijn bij het uitvoeren van de Grote Opdracht om het evangelie van Jezus uit te dragen. En zo werd Petrus officieel tot de onbetwiste leider van de groep discipelen verklaard.
Omdat Jezus wist dat de eigengereidheid van Petrus een belemmering was voor zijn toekomstige functioneren als apostel, zei Hij tegen Petrus:
" 'Waarachtig, ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.' Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Daarna zei hij: 'Volg mij.' " (Johannes 21:18-19, NBV2004)
Jezus zei dus dat Petrus oud zou worden en dan een gewelddadige dood zou sterven. De gebruikte uitdrukkingen doen denken aan kruisiging. Petrus is inderdaad in Rome gekruisigd. Jezus gaf hem de gelegenheid om zich daar mentaal op voor te bereiden.
Die laatste woorden 'volg Mij' betekenen dat Jezus opstond en Petrus wenkte om een eindje met Hem mee te lopen, waarschijnlijk om verder op dat onderwerp door te gaan, buiten het gehoor van de anderen. Even later merkte Petrus dat Johannes ook achter hen meeliep. Het is niet duidelijk waarom hij dat deed. Had hij ook nog een paar persoonlijke vragen aan Jezus willen stellen?
"Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus hield hen volgde - de leerling die zich tijdens de maaltijd naar Jezus toegebogen had om te vragen wie het was die hem zou verraden. Toen Petrus hem zag vroeg hij Jezus: 'En wat gebeurt er met hem, Heer?' Maar Jezus antwoordde: 'Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen.' " (Johannes 21:20-22, NBV2004)
Door deze woorden van Jezus werd het duidelijk dat Johannes een andere toekomst tegemoet zou gaan.
"Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en zusters gedacht dat deze leerling niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd: 'Hij zal niet sterven,' maar: 'Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom.' " (Johannes 21:23, NBV2004)
Johannes heeft zijn evangelie veel later geschreven dan Matteüs, Marcus en Lucas. Hij had wellicht opgevangen dat heel wat mensen in de vroege kerkelijke gemeenten geloofden dat Johannes niet zou sterven vóór Jezus' wederkomst. Met deze opmerking wilde hij de christengelovigen duidelijk maken dat Jezus toch echt iets anders had gezegd. Hieruit blijkt dat er ook mondelinge overleveringen bekend waren in de vroege kerken die niet in de evangeliën zijn vermeld.
Maar toen Johannes oud geworden was en hij aanvoelde dat hij niet lang meer te leven had, zal hij toch wel hebben nagedacht over die woorden van Jezus: 'Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom.' Zou hij misschien toch nog de wederkomst van Jezus meemaken? Daarmee verband houdend liet Jezus hem iets heel bijzonders meemaken. Toen Johannes (vanwege zijn activiteiten als apostel van Jezus) werd verbannen naar het eiland Patmos, verscheen Jezus aan hem op een bijzondere manier. Vervolgens zorgde Jezus ervoor dat Johannes gedetailleerde visioenen en inzichten ontving over de eindtijd. Hij kon allerlei toekomstige gebeurtenissen rondom de wederkomst vanuit de hemel bekijken. Wat gaat Jezus toch zorgvuldig om met de mensen van wie Hij houdt!
De apostel Johannes was waarschijnlijk de enige die geen gewelddadige dood als martelaar is gestorven. Hij is erg oud geworden.
Al op de dag van Jezus' opstanding, toen Hij de eerste ontmoeting met zijn discipelen had, begon Jezus al over hun uitzending als boodschappers van het Goede Nieuws. Daardoor zouden ze niet langer alleen maar discipelen van Jezus zijn. Ze werden bevorderd tot apostelen van Jezus.
"En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen." (Marcus 16:15, HSV2010)
"... zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u." (Johannes 20:21, HSV2010)
Vooral die laatste zin was erg betekenend. De apostelen zouden de plaatsvervangers van Jezus op de aarde worden en zijn taak overnemen. Alles wat Jezus voor hun ogen had gedaan (zoals het evangelie brengen, zieken genezen, demonen uitdrijven, andere wonderen doen) zou voortaan HUN opdracht zijn.
"En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest." (Johannes 20:22, HSV2010)
Ik denk niet dat de apostelen op dat moment een soort krachtige vervulling met Gods Geest ontvingen, want dat zou pas op de Pinksterdag gebeuren. Wel ontvingen ze naar mijn mening voldoende inzicht door Gods Geest dat ze konden begrijpen wat Jezus tot dusver gezegd had en voor wat Hij nog verder aan hen zou uitleggen. Een belangrijk werk van de Heilige Geest is immers om harten te openen voor de levende waarheid van de woorden van Jezus.
Bovendien droeg Jezus ook een stuk autoriteit aan de discipelen over, die ze als vertegenwoordigers van koning Jezus namens Hem mochten hanteren:
"Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hen toerekent, blijven ze hem toegerekend." (Johannes 20:23, HSV2010)
De apostelen zouden de volmacht hebben om namens Jezus vergeving toe te zeggen aan mensen die oprecht tot bekering waren gekomen en berouw hadden gekregen over hun zonden.
Na zijn opstanding heeft Jezus veel tijd genomen voor ontmoetingen met zijn discipelen in Galilea:
"Hij heeft Zichzelf, nadat Hij geleden had, ook levend aan hen vertoond, met veel onmiskenbare bewijzen, veertig dagen lang, waarbij Hij door hen gezien werd en over de dingen sprak die het koninkrijk van God betreffen." (Handelingen 1:3, HSV2010)
Gedurende deze periode greep Jezus ongetwijfeld terug op allerlei onderwerpen, waarover Hij gedurende de afgelopen jaren met hen had gesproken, maar nu vanuit het perspectief van zijn lijden, sterven en opstanding.
De discipelen moesten een grote omslag in hun denken maken. Kort voor de kruisiging van Jezus, tijdens de laatste pesachmaaltijd, hadden ze nog met elkaar geruzied over de verdeling van de ministersposten die ze binnenkort dachten te krijgen. Dat had Jezus hen immers letterlijk beloofd met de volgende woorden:
"... Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël." (Matteüs 19:28, NBV2004)
Met de kruisiging van Jezus was hun toekomstperspectief in duigen gevallen. Maar nu Jezus was opgestaan werd het toch weer mogelijk. Zou Jezus NU zichzelf presenteren aan het volk van Israël en zichzelf uitroepen als de messias en koning van Israël? Die vraag hield hen voortdurend bezig. Op een dag besloten ze Jezus te vragen om hen te vertellen waar ze aan toe waren:
"Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: 'Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?' Hij antwoordde: 'Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.' " (Handelingen 1:6-8, NBV2004)
Dat was dus iets heel anders dan ze verwacht hadden! Alweer moesten de discipelen hun perspectieven bijstellen. Tot nu toe hadden ze gedacht dat het koningschap van Jezus zich zou beperken tot het volk Israël. Nu begrepen ze dat Jezus de hele wereld op het oog had. Heel binnenkort zou Jezus bij hen vandaan gaan en moesten ze ZELF dat koninkrijk gestalte geven door overal in de wereld te getuigen van Jezus en mensen helpen om tot geloof te komen. En dat zou dan geen aards koninkrijk zijn, maar een geestelijk koninkrijk, bestaande uit alle aardbewoners die hun vertrouwen zouden stellen op Jezus. Hun taak was duizelingwekkend, verbijsterend omvangrijk en vooral ... nieuw!
Zie ook de volgende hoofdstukken:
- 'Messiaans
vrederijk'
- 'Gods koninkrijk'
Voor het bijzondere moment van hun uitzending had Jezus een bijzondere plek uitgekozen, zoals we kunnen lezen in het Matteüs evangelie:
"En de elf discipelen zijn naar Galilea gegaan, naar de berg waar Jezus hen ontboden had. En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden." (Matteüs 28:16-17, HSV2010)
Deze berg of heuvel was hoogstwaarschijnlijk de plek waar Jezus hen als zijn discipelen aanstelde (zie Marcus 3:13-19). De elf discipelen voelden aan dat er een bijzonder moment zou aanbreken. Ze zagen aan de gelaatsuitdrukking van Jezus dat Hij een bijzondere uitspraak ging doen. De meesten van hen vielen op de grond om Hem eer te bewijzen en te aanbidden als hun Heer en hun God. Sommigen aarzelden en wisten niet wat ze met de situatie aanmoesten. Of twijfelden ze nog aan de goddelijkheid van Jezus?
Over de zendingsopdracht van Jezus voor de elf discipelen kunnen we in drie evangeliën verschillende details lezen. In het evangelie van Lucas vinden we volgende samenvatting:
"Hij zei: 'Er staat geschreven dat de Messias zou lijden en op de derde dag uit de doden zou opstaan, en dat in zijn naam de bekering zou worden verkondigd aan alle volken, tot vergeving van zonden. Jullie zullen hiervan getuigen, te beginnen in Jeruzalem. Ik zend jullie wat mijn Vader heeft beloofd. Jullie moeten in de stad blijven totdat je wordt toegerust met kracht van boven.' " (Lucas 24:46-49, WV2012)
In het evangelie van Marcus komen we andere details tegen van wat Jezus hier over zei:
"... Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen. Wie tot geloof komt en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden. De volgende tekenen zullen hen die tot geloof gekomen zijn, begeleiden: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, nieuwe talen zullen ze spreken, met hun handen zullen ze slangen opnemen, en als ze dodelijk gif drinken, zal dat hun niet deren. Zieken zullen ze de handen opleggen en zij zullen gezond worden." (Marcus 16:15-18, WV2012)
De zendingsopdracht in het Matteüs evangelie is de meest bekende bij christengelovigen:
"... Ik heb alle macht in hemel en op aarde gekregen. Ga er daarom op uit om alle volken tot mijn leerlingen te maken. Doop hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Leer hen altijd te doen wat Ik u heb gezegd. En vergeet dit niet: Ik ben altijd bij u, tot het einde van de tijd." (Matteüs 28:18-20, HB2008)
Samenvattend benadrukte Jezus dus de volgende opdrachten:
Zie ook de onderwerpen 'Grote Opdracht' en 'Evangelisatie en wonderen' in hoofdstuk 'Getuigen van Jezus'.
Op de dag van het definitieve afscheid liep Jezus met zijn discipelen naar de Olijfberg, dicht bij Betanië en niet ver van Jeruzalem. Onderweg gaf Hij zijn laatste instructies aan hen door. Tenslotte zegende Hij hen en verdween Hij uit hun gezichtsveld:
"Toen bracht Hij hen buiten de stad tot bij Betanië. Daar hief Hij zijn handen en zegende hen. En terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen en werd Hij in de hemel opgenomen. (Lucas 24:50-51, WV2012)
De traditionele opvatting is dat Jezus zich toen omhoog bewoog en op een bepaalde hoogte achter een regenwolk verdween, dus hoog in de lucht. Vanuit die opvatting is de term 'hemelvaart' ontstaan: een reis door de lucht zoals bij luchtvaart, ballonvaart of ruimtevaart. En die opvatting klinkt helaas ook door in de meeste Nederlandse Bijbelvertalingen en kinderbijbelverhalen over de hemelopname van Jezus. Maar waarom zou Jezus omhoog gaan? De hemel is niet boven ons, alleen hoger in figuurlijke zin. De geestelijke wereld is vlakbij en overal rondom ons. Met de volgende woorden is het vertrek van Jezus correct vertaald:
"... werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen en een wolk onttrok Hem aan hun ogen." (Handelingen 1:9, HSV2010)
Maar 'op' aan het begin van een woord betekent lang niet altijd 'omhoog'. Bij een adoptie wortdt een kind opgenomen in een gezin en op een vergelijkbare manier werd Jezus bij zijn hemelopname verwelkomd bij de bewoners van de hemel. De manier waarop Jezus naar de hemel ging is volgens mij te vergelijken met het vertrek naar de hemel van Mozes en Elia die Jezus een keer bezocht hadden bij de 'verheerlijking op de berg'. Na dat gesprek keerden Mozes en Elia terug naar de hemel door een wolk binnen te gaan.
"... kwam er een wolk, en die overschaduwde hen. Zij (de drie discipelen) werden bevreesd toen zij (=Mozes en Elia) de wolk ingingen..." (Lucas 9:34-35, HSV2010)
Ik geloof dat Jezus ook zo is vertrokken bij zijn hemelopname: door ook een wolk binnen te lopen. In de Bijbel worden wel vaker wolken genoemd (maar geen regenwolken zoals in de lucht) waardoor iemands overgang tussen de materiële wereld en de geestelijke wereld afgeschermd voor menselijke ogen. Zie bijvoorbeeld Exodus 13:21, Exodus 40:34, Leviticus 16:2).
Als vanzelf keken de apostelen omhoog naar de lucht. Wij kijken zelf ook vaak omhoog als we onze aandacht op God richten (zie bijvoorbeeld ook Johannes 17:1) omdat God veel verhevener is dan wij als mensen. Nu was Jezus definitief bij zijn apostelen weggegaan. Allerlei gedachten en emoties raasden door hen heen. Mooie herinneringen, spannende momenten, de dood en opstanding van hun geliefde Heer en nu zijn vertrek. Niemand sprak een woord. Toen stonden er plotseling twee engelen bij hen, die zeiden:
"... Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde manier terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan." (Handelingen 1:11, NBV2004)
Jezus zal eens op dezelfde manier terugkomen: ook in een wolk of met wolken om Hem heen:
"En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid." (Lucas 21:27, HSV2010)
"Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand." (Handelingen 1:12, NBV2004)
De hemelopname van Jezus heeft dus plaatsgevonden vanaf de Olijfberg. Waarom wordt de afstand van Jeruzalem genoemd als de lengte van een sabbatsreis (ongeveer één kilometer)? We lezen onder meer in Lucas 5:16 en Lucas 6:12 dat Jezus zijn nachtelijke gebedstijden graag op een berg of een heuvel doorbracht (in de Griekse brontekst is het woord voor 'berg' hetzelfde als voor 'heuvel'). Wanneer Jezus dan in Jeruzalem was ging Hij 's nachts wellicht de Olijfberg op. Jezus hield zich aan de Joodse gedragsregels en Hij kon daar dus ook op sabbat heengaan zonder dat mensen zich daaraan konden ergeren.
De profeet Zacharia heeft geprofeteerd dat Jezus bij zijn wederkomst op de Olijfberg zal staan:
"Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeën splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west." (Zacharia 14:4, NBV2004)
Marcus beëindigt zijn verhaal over de hemelopname van Jezus kort en krachtig:
"Nadat de Heer Jezus hun dit gezegd had, werd Hij in de hemel opgenomen en nam Hij plaats aan de rechterhand van God." (Marcus 16:19, WV2012)
Later getuigde de apostel Petrus over deze dingen voor het Sanhedrin:
"De God van onze vaderen heeft Jezus tot leven gewekt ... Hem heeft God een hoge plaats gegeven aan zijn rechterhand als leidsman en redder ..." (Handelingen 5:30-31, WV2012)
De Bijbel maakt dus duidelijk dat Jezus in de hemel iets als een kroning heeft meegemaakt: de welverdiende beloning voor de ultieme liefdevolle gehoorzaamheid aan God de Vader.
"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!" (Filippenzen 2:9-11, NBG1951)
Jezus was tot het uiterste gegaan in zijn daad van zelfverloochening en zelfopoffering. Als beloning werd Hij bevorderd tot de hoogst denkbare machtspositie, onder het oppergezag van God de Vader. Zegenende, zelfopofferende liefde is de belangrijkste kwalificatie voor leiderschap binnen het koninkrijk van de hemel.
Dit is één van de wonderlijkste geheimen van het koninkrijk van de hemel: de mens geworden Zoon van God is lichamelijk opgestaan uit de dood en lichamelijk naar de hemel gegaan. Jezus zit als de goddelijke Mensenzoon lichamelijk op de troon van het heelal. Bij zijn hemelopname heeft Jezus zijn menselijkheid dus niet afgelegd, om weer voor 100% terug te keren tot zijn goddelijkheid zoals voorheen. Zijn goddelijkheid was en is blijvend, en zijn menselijkheid ook.
Vlak voordat Stefanus gestenigd werd vanwege zijn geloof in Jezus zag hij iets van de heerlijkheid van Jezus:
"Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, en hij zei: 'Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.' " (Handelingen 7:55-56, NBV2004)
De hemelopname van Jezus en Pinksteren zijn nauw met elkaar verbonden.
"Hij die neergedaald is, is ook dezelfde die is opgestegen, hoog boven alle hemelen, om alles te vervullen." (Efeziërs 4:10, WV2012)
De apostel Paulus ging ervan uit dat er meerdere hemelsferen zijn, en dat God zelf in de allerhoogste hemelsfeer verblijft, waar geen geschapen wezen kan komen. In deze Bijbeltekst lezen we dat Jezus tot de allerhoogste, goddelijke status is verheven. Het zoveelste bewijs dat Jezus niet alleen de Zoon van God is, maar ook God. De woorden 'om alles te vervullen' hebben betrekking op wat we in enkele voorafgaande Bijbelverzen lezen:
"Maar ieder van ons heeft genade gekregen, naar de mate waarin Christus die gegeven heeft. In de Boeken staat immers: 'Hij is naar de hemel gegaan ... en hij gaf geschenken aan de mensen.' " (Efeziërs 4:7-8, HB2008)
Vanwege zijn verhoogde positie was Jezus in staat om geestelijke gaven te geven aan gelovigen. Daarbij denken we aan de inwoning van de Heilige Geest en aan geestelijke gaven om hen toe te rusten. Daarom zei Petrus in zijn Pinkstertoespraak:
"Hij (=Jezus) is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort." (Handelingen 2:33, NBV2004)
Jezus liet bij zijn hemelopname de aarde niet achter als een 'wereld zonder Jezus' maar als een 'wereld vol van Jezus' door de actieve aanwezigheid van Jezus (door de Heilige Geest) in de harten van gelovigen.
Op Hemelvaartsdag gedenken we dat Jezus in de hemel is opgenomen om daar zijn eervolle positie in de hemel te ontvangen, nadat Hij zijn werk op aarde had voltooid. Het is de minst gevierde christelijke feestdag. Natuurlijk zijn we blij met een vrije dag, maar op zo'n dag doen we liever leuke dingen dan dat we aandacht besteden aan de hemelopname van Jezus. Daar is wel een verklaring voor te geven:
Kortom, zolang WIJ iets krijgen, willen we nog wel iets vieren. En dan de Hemelvaartsdag, het feest van de kroning van onze Koning. Daarbij gaat het een keer niet om ONS, maar alleen om HEM. En toch weten veel predikanten over de hemelopname van Jezus niet veel meer te zeggen dan dat Jezus:
We kunnen het gewoon niet laten om de schijnwerper op ONSZELF te richten. Dat is bijna een automatisme, want als gelovigen vinden we ons eigen geestelijk heil belangrijker dan dat onze Heer eer ontvangt. Laten we het maar eerlijk toegeven. En daarom vinden we het feit van de hemelopname van Jezus niet belangrijk genoeg om er een feest van te maken.
Enkele maanden geleden, voorafgaande aan de lijdenstijd van Jezus, waren de twaalf discipelen niet blij geweest met het vooruitzicht dat Jezus bij hen vandaan zou gaan. Jezus had toen tegen hen gezegd:
"Nu ga ik weg, naar hem die mij gezonden heeft ... Jullie zijn verdrietig, omdat ik jullie dat gezegd heb." (Johannes 16:5-6, NBV2004)
Nu was het dan zover gekomen. Jezus was bij hen weggegaan. Ze hadden verbouwereerd en verdwaasd staan kijken, maar ze wisten nu zeker dat Jezus hen niet alleen zou laten en dat ze Hem eenmaal zouden weerzien. Ze waren goed voorbereid op hun toekomstige taak. En hoe voelden zij zich nu?
"... Daarna gingen zij met grote vreugde terug naar Jeruzalem. Ze bleven voortdurend in de tempel om God te eren en te danken." (Lucas 24:52-53, HB2008)
Ze waren vol van Jezus en dus konden ze niet anders dan intens dankbaar en intens blij zijn.
Het vervolg van deze geschiedenis vind je in onderwerp 'Wachten op de Heilige Geest' in hoofdstuk 'Heilige Geest'.
De lichamelijke opstanding van Jezus is volgens mij de belangrijkste gebeurtenis, naast die van het plaatsvervangend sterven van Jezus. Door zijn opstanding is het werk van Jezus op aarde compleet geworden. Het kruis van Jezus en de opstanding van Jezus vormen één geheel, zoals de twee zijden van een munt.
De opstanding van Jezus is een feit waar niemand omheen kan. In het Bijbelboek Handelingen lezen we hoe de opstanding van Jezus steeds een hoofdthema is van de evangelieprediking:
"God heeft hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over hem niet behouden." (Handelingen 2:24, NBV2004)
"... God heeft Hem opgewekt uit de doden; daarvan zijn wij getuigen." (Handelingen 3:15, WV2012)
"De apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus ..." (Handelingen 4:33, NBV2004)
"maar God heeft hem op de derde dag weer tot leven gewekt en hem aan de mensen laten verschijnen." (Handelingen 10:40, NBV2004)
Paulus noemt het feit van de lichamelijke opstanding van Jezus als één van de belangrijkste leerstukken van het christelijke geloof:
"en als Christus niet is opgewekt, is wat wij verkondigen zonder inhoud en zonder inhoud is dan uw geloof." (1 Korintiërs 15:14, GNB1996)
Naast het plaatsvervangend sterven van Jezus maakt vooral zijn opstanding het christelijke geloof uniek in vergelijking tot alle andere wereldgodsdiensten. Voor veel grote wereldleiders is ooit een praalgraf gebouwd. Wij kunnen een LEEG graf bezichtigen, want JEZUS LEEFT! Niet ver van de Damascuspoort in Jeruzalem kun je de graftuin bezichtigen. Daarin bevindt zich een grafspelonk die volgens sommigen ooit het graf van Jezus was en er authentiek uitziet. Aan de binnenkant van de deur van die grafspelonk lees je de volgende woorden:
"Hij is hier niet, Hij is opgestaan!"
De kracht waarmee God zijn Zoon heeft opgewekt, is ook beschikbaar geworden om mensen uit de geestelijke dood tot geestelijk leven te brengen (Efeziërs 2:5) ofwel tot wedergeboorte. Zo lezen we:
"Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus: in zijn grote barmhartigheid heeft hij ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop." (1 Petrus 1:3, NBV2004)
Door wedergeboorte wordt de opstanding van Jezus tot levende werkelijkheid in het leven van de gelovige, want dan ontvangt hij het nieuwe leven.
Het kruis van Jezus en de opstanding van Jezus horen onlosmakelijk bij elkaar. Zonder de opstanding zou de boodschap van het kruis nog maar een half evangelie zijn. Door de opstanding is het baanbrekende werk van Jezus voor de mensheid voltooid.
De opstanding is dus het sluitstuk van Jezus' overwinning over de satan aan het kruis, de overwinning over de satanische machten. De opstanding van Jezus is de grootste manifestatie van Gods onbeperkte kracht:
"Doordat Hij terugkwam uit de dood heeft de Heilige Geest met kracht bewezen dat Hij de Zoon van God is." (Romeinen 1:4, HB2008)
Juist door de opstanding van Jezus weten we het zeker: Hij is Gods Zoon en met Tomas kunnen we zeggen:
"Mijn Heer, mijn God!" (Johannes 20:28, NBV2004)
De opstanding van Jezus betekent dat zijn kracht ook beschikbaar is gekomen voor alle gelovigen, bijvoorbeeld:
Het eerste genezingswonder van de apostelen was de genezing van een verlamde bedelaar:
"Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes. Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: 'Kijk ons aan.' De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen. Maar Petrus zei: 'Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.' Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels. Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend." (Handelingen 3:3-8, NBV2004)
Deze genezing mocht de apostel Petrus uitvoeren in de naam van Jezus, de opgestane Heer. Door die opstandingskracht kon de verlamde bedelaar opstaan en lopen. Petrus moest zich voor deze daad verantwoorden voor het Sanhedrin en zei onder meer het volgende:
"Hem die de weg naar het leven wijst (=Jezus) hebt u gedood, maar God heeft hem uit de dood doen opstaan, en daarvan getuigen wij. Het komt door zijn naam en door het geloof in zijn naam dat deze man, die u hier voor u ziet en die u kent, kan lopen; het geloof dat Jezus schenkt, heeft hem in aanwezigheid van u allen gezond gemaakt." (Handelingen 3:15-16, NBV2004)
Jezus zei van zichzelf:
"... Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven ..." (Johannes 11:25-26, NBG1951)
Jezus is in alles de eerste persoon, ook in de opstanding. Heel nadrukkelijk geeft Hij aan dat zijn eigen opstanding, uit de dood naar het leven, de mogelijkheid heeft geschapen dat zijn volgelingen door het geloof eeuwig leven zullen ontvangen na hun leven op aarde. De apostel Paulus schreef hierover:
"Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft." (Romeinen 8:11, NBV2004)
"God heeft de Heer opgewekt, en door zijn macht zal hij ook ons opwekken." (1 Korintiërs 6:14, NBV2004)
"Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn." (1 Korintiërs 15:20, HSV2010)
De betekenis van Jezus' opstanding gaat dus nog verder. De hemel is een tijdelijke verblijfplaats voor gelovigen, maar eenmaal zullen ze een nieuw lichaam krijgen: een verheerlijkt lichaam, net zoals Jezus.
"God heeft niet alleen de Heer opgewekt uit de dood, hij zal ook ons opwekken door zijn kracht." (1 Korintiërs 6:14, GNB1996)
Dat noemt de Bijbel de 'opstanding van gelovigen' die na de wederkomst van Jezus zal plaatsvinden (zie ook Daniël 12:2; Johannes 6:54; Johannes 11:24; Openbaring 20:4).
Zie meer hierover in onderwerp 'Eerste opstanding van gelovigen' in hoofdstuk 'Messiaans vrederijk'.
Het is opvallend dat juist het feit van de lichamelijke opstanding van Jezus één van de eerste Bijbelse geloofsfundamenten is dat sneuvelt bij kerkgangers die de Bijbel niet zo nauw nemen.
Het begon al met de pertinente ontkenning en het bedrog van het Sanhedrin, toen de wachters bij het graf hun vertelden dat een engel het graf had geopend en dat het lichaam van Jezus was verdwenen zonder toedoen van mensen.
Al vanaf het bestaan was er in het Joodse land veel weerstand tegen het feit van Jezus' opstanding. Vooral nadat de apostelen Petrus en Johannes een verlamde man hadden genezen in de naam van Jezus, die kort daarvoor was opgestaan uit de dood. Ze hadden toen tegen de blinde man gezegd:
"... in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop." (Handelingen 3:6, NBV2004)
Dit eerste genezingswonder van de apostelen had een belangrijke symbolische betekenis. De genezen man was een lopend getuigenis van de opstanding van Jezus!
"Terwijl Petrus en Johannes de menigte nog toespraken, kwamen de priesters, het hoofd van de tempelwacht en de sadduceeën op hen af, hevig ontstemd omdat ze het volk onderrichtten en de opstanding uit de dood verkondigden op grond van wat er met Jezus was gebeurd. Ze grepen hen vast en zetten hen gevangen ... " (Handelingen 4:1-3, NBV2004)
Kort daarna werden Petrus en Johannes verhoord door het Sanhedrin:
"Toen de leden van het Sanhedrin zagen hoe vrijmoedig Petrus en Johannes optraden en begrepen dat het gewone, ongeletterde mensen waren, stonden ze verbaasd, en ze realiseerden zich dat beiden in Jezus’ gezelschap hadden verkeerd. Maar omdat ze de man die genezen was bij hen zagen staan, konden ze niets tegen hun woorden inbrengen." (Handelingen 4:13-14, NBV2004)
De genezing van de verlamde man was een overtuigend bewijs van de opstanding van Jezus.
Ook de apostel Paulus ontmoette weerstanden bij mensen zodra hij over de opstanding van Jezus begon te spreken, zoals toen hij in Athene voor een grotere groep intellectuelen sprak:
"Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee ..." (Handelingen 17:32, NBV2004)
Toen de apostel Paulus zich later, na zijn gevangenneming, moest verdedigen tegenover koning Herodes Agrippa, sprak hij uitvoerig over Jezus. Maar zodra hij over de lichamelijke opstanding van Jezus sprak vloog Agrippa op en schreeuwde Paulus toe dat hij gek was. Paulus zei daarop dat Jezus' dood en opstanding geen verzinsels waren, maar feiten die algemeen bekend waren:
"... Het is geen wartaal, excellentie. Integendeel, wat ik zeg is waar en getuigt van gezond verstand. Bovendien weet de koning waarover het gaat, en daarom kan ik vrijuit tegen hem spreken. Ik denk niet dat iets hiervan hem is ontgaan, het heeft zich immers niet in een uithoek afgespeeld." (Handelingen 26:25-26, NBV2004)
Ook in onze tijd zijn er mensen die allerlei argumenten aanvoeren om de opstanding van Jezus onderuit te halen, maar geen van alle zijn ze steekhoudend. Zij vergeten ook dat er over geen enkele historische persoon uit de oudheid zoveel is gedocumenteerd als over Jezus.
Hierna volgen enkele van de meest bekende tegenargumenten over de opstanding van Jezus.
Sommige Bijbelcritici beweren dat het opstandingsverhaal is ontstaan uit hallucinaties. Deze bewering mist elke grond. Het is namelijk bekend dat hallucinaties:
Geen van de genoemde kenmerken is van toepassing op de omstandigheden rondom de opstanding van Jezus.
Een ander veel gehoord argument tegen de lichamelijke opstanding van Jezus is dat de discipelen het lichaam van Jezus uit het graf hebben gehaald om een verzonnen opstandingsverhaal kracht bij te zetten. Ook dat argument is erg zwak. Allereerst hebben we natuurlijk het Bijbelse gegeven van de leugen van de het Sanhedrin die ze de grafbewakers lieten vertellen.
"En zij (=hogepriesters) kwamen bijeen met de oudsten, en zij kwamen gezamenlijk tot het besluit om de soldaten veel geld te geven, en zij zeiden: Zeg: Zijn discipelen zijn 's nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen ... En dit woord is verbreid onder de Joden tot op de huidige dag." (Matteüs 28:12-15, HSV2010)
Zo'n daad van grafroof zou erg onnatuurlijk zijn voor mensen die jarenlang door Jezus zijn onderwezen in oprecht gedrag. Bovendien zou de waarheid achter dat bedrog nooit geheim kunnen blijven.
Ook de vermelding in de opstandingsgeschiedenis over de windsels die keurig in de grafspelonk lagen (Lucas 24:12; Johannes 20:7) maakt het idee van grafroof ongeloofwaardig. Bij een grafroof zou alles worden meegenomen en snel ook. Kortom: het idee van grafroof is te absurd voor woorden.
Dat klopt. Een bioloog kan vanuit zijn vakgebied niets met de opstanding van Jezus. Toch doet een bioloog er goed aan de begrensdheid van zijn vakgebied te erkennen en de mogelijkheid open te laten dat er een werkelijkheid is buiten de door hem waarneembare werkelijkheid. Er is een geestelijke wereld van waaruit God opereert en wonderen van opstanding uit de dood zijn daarin mogelijk.
Gedurende de tijd dat ik in Papoea Nieuw Guinea heb gewoond en gewerkt, heb ik drie verslagen gehoord uit de mond van mensen die ooggetuigen waren van opstandingen uit de dood:
Ook in Nederland ken ik een voormalige zendeling (Jan Pit), die was gestorven aan een dodelijke ziekte: hersenmalaria. Hij is uit de dood teruggekomen, nadat een ouderling van zijn gemeente daar na zijn overlijden intens om gebeden had. Toen hij zich na wederkomst in Nederland door een specialist liet onderzoeken, zei deze letterlijk dat het 'godsonmogelijk was' dat hij levend voor hem stond. Het getuigenis van Jan Pit is diverse malen via tv uitgezonden en ik heb het ook van hem persoonlijk gehoord tijdens een spreekbeurt.
Dit is maar een greep uit de vele opstandingen uit de dood die in deze tijd hebben plaatsgevonden. Wat bij mensen onmogelijk, is mogelijk voor God, speciaal met betrekking tot zijn Zoon. Jezus heeft:
"... met kracht bewezen dat Hij de Zoon van God is, door Zijn opstanding uit de doden ..." (Romeinen 1:4, HSV2010)
Als we de gebeurtenissen rondom de opstanding in de vier evangeliën vergelijken zien we een aantal verschillen. Zo lezen we verschillende aantallen vrouwen bij het graf, één of twee engelen bij of in de grafspelonk. Ook beschrijven de vier evangeliën elk gebeurtenissen die in geen van de andere evangeliën voorkomen. Uit dit alles zou dan blijken dat de verhalen niet erg betrouwbaar zijn.
De verschillen in de vier evangeliën zijn geen reden om de getuigenissen onbetrouwbaar te noemen. Ze accentueren juist de verwarring die er was onder de volgelingen van Jezus. Hoewel ze hadden kunnen weten dat Jezus zou opstaan, hadden alle gebeurtenissen hen zo aangegrepen dat ze daar niet meer aan konden denken. Juist daardoor komen de Bijbelse getuigenissen zo authentiek en waarheidsgetrouw over. Juist de verbijstering, de verwarring en het ongeloof van Jezus' volgelingen heeft veel overtuigingskracht. Zo'n verhaal kan niet verzonnen zijn, anders hadden zij immers heel anders gereageerd. De opstandingdag was de meest emotionele en verwarrende dag in de levens van Jezus' volgelingen. Daarom is het niet verwonderlijk dat de verhalen van ooggetuigen, die in de evangeliën zijn verwerkt, soms een beetje verwarrend overkomen, met hier en daar ook verschillende details. Alleen mensen die de autoriteit van de Bijbel sowieso niet willen accepteren, struikelen hierover.
De Bijbelse opstandinggeschiedenis is erg geloofwaardig en kan alleen worden ontkend door mensen die het niet WILLEN geloven. Daaronder zijn ook veel theologen en predikanten. Ik geloof dan ook niet dat deze mensen veel opstandingskracht uitstralen!
De apostel Johannes maakte tegen het einde van zijn leven (ongeveer 95 na Chr.) een bijzondere ontmoeting met Jezus mee. Jezus zei tegen Johannes:
"... Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen..." (Openbaring 1:17-18, HSV2010)
Het woord 'Amen' betekent in dit verband: 'Wis en zeker!' Er zijn verschillende brochures geschreven door juristen die de opstandingverhalen vanuit hun vakgebied hebben onderzocht. Zij kwamen tot de conclusie dat de getuigenissen meer dan voldoende overtuigend waren om in een rechtszaak stand te houden. Een van hen is Frank Morris, die vanuit het Engelse rechtssysteem wilde aantonen dat de geschiedenis van Jezus' opstanding onzin was. Tot zijn grote verbazing moest hij constateren dat de opstanding een juridisch feit is, op basis van de getuigenverklaringen uit de Bijbel. Details over zijn bevindingen zijn te lezen in zijn boekje: 'Who moved the stone?' Enkele details over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de opstandingsgeschiedenis:
Er waren meer dan voldoende mensen die Jezus hebben ontmoet na zijn opstanding. De apostel Paulus geeft het volgende overzichtje over een aantal verschijningen van de opgestane Heer:
"Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf
ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij
is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen
aan
(1) Kefas (=Petrus),
(2) daarna aan de twaalven.
(3) Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het
merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen.
(4) Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus,
(5) daarna aan al de apostelen;
(6) maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig
geborene." (1 Korintiërs 15:3-8, NBG1951)
In deze opsomming komen twee verschijningen voor, die niet door de evangelisten zijn beschreven (namelijk die aan Jakobus en aan 500 gelovigen). We mogen rustig aannemen dat er tussen zijn opstanding en hemelvaart meer verschijningen van Jezus zijn geweest dan die we in de Bijbel kunnen lezen.
"Als de opstanding niet werkelijk heeft plaatsgevonden, maken we deel uit van het grootste bedrog in de wereldgeschiedenis en moeten we iedere kerk sluiten." (David Pawson)