Start    Inhoud    Zoekmogelijkheden  

 

 

2.4.1. Paradijs

 

- Tuin van Eden
- Heersen over de aarde, te beginnen bij het paradijs
- Plaats van Gods aanwezigheid
- Heerlijkheid van de mens in het paradijs

 

"God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten ..." (Genesis 2:8-9, NBV2004)

 

Tuin van Eden

In de Bijbel lezen we over de tuin van Eden, de meest volmaakte leefplek voor de mens op aarde, die we meestal het paradijs noemen. In Jesaja 51:3 wordt het Gods tuin genoemd. God had dit mooie lustoord speciaal voor Adam en Eva klaargemaakt als woonplaats. Alleen het allerbeste was goed genoeg voor de mens, het kroonjuweel van zijn schepping. Ook de toekomstige woonplaats in het hemelse paradijs wordt met zorg klaargemaakt voor gelovigen (Johannes 14:2, Openbaring 2:7).

De Bijbel geeft ook enige details over de ligging van de tuin van Eden:

"Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen." (Genesis 2:10, NBV2004)

Uit dit vers blijkt dat het paradijs op of tegen een heuvel lag, van waaruit het water van de bron naar beneden stroomde. Laten we voor het gemak aannemen dat die heuvel een onderdeel van het paradijs was. Als we in het Bijbelboek Openbaring lezen over het nieuwe Jeruzalem, dan zien we een vergelijkbaar beeld. Deze stad zal ook hooggelegen zijn (Openbaring 21:16) met een rivier, die vanuit het centrum ontspringt (Openbaring 22:1).

 

Heersen over de aarde, te beginnen bij het paradijs

Toch moeten we de tuin van Eden niet zien als een soort Luilekkerland, met het uitsluitende doel om de mens alles te geven waar hij behoefte aan had. We lezen dat God een omvangrijke opdracht had gegeven aan Adam en Eva:

"En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!" (Genesis 1:28, HSV2010)

Dat was de missie voor Adam en Eva en de hele mensheid die uit hen zou ontstaan. In het begin waren Adam en Eva daar natuurlijk nog helemaal niet klaar voor. Maar in Gods plannen is er altijd een leerproces en een toegroeien naar een hoger doel:

"God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken." (Genesis 2:15, NBV2004)

Voordat Adam het koningschap over de hele aarde gestalte zou kunnen geven, kreeg hij eerst de verantwoordelijkheid voor een klein stukje van de aarde: de tuin van Eden. Het was letterlijk een PROEFTUIN.

Zie ook onderwerp 'Doel en roeping van de mens' in hoofdstuk 'Wie ben je als mens?'.

 

Plaats van Gods aanwezigheid

De tuin van Eden was ook de plaats van Gods aanwezigheid, de plaats waar God omgang had met de mens. Elke pagina van de Bijbel spreekt direct of indirect over Gods verlangen om met de mens te communiceren. We mogen dus aannemen dat God vanaf het begin persoonlijke omgang had met Adam. Bij de dagelijkse ontmoetingen (zoals in Genesis 3:8) zal God ongetwijfeld heel veel aan Adam hebben verteld over het beheren van het paradijs, de natuur en over allerlei geheimen van de schepping. Zo kreeg Adam zijn onderwijs rechtstreeks van zijn Schepper. Vervolgens liet God Adam kennismaken met de dierenwereld.

"... en Hij bracht die (=de dieren) bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten." (Genesis 2:19, NBV2004)

God wilde dat Adam de dieren hun namen gaf, om daarmee zijn heerschappij over de dierenwereld te onderstrepen. Zo ontmoetten de dieren hun koning. Mogelijk hield het geven van namen meer in dan 'elk beestje moet een naam hebben'. Misschien had de naamgeving ook iets te maken met het toekennen van sommige eigenschappen aan dieren. Het is maar een gedachte.

 

Heerlijkheid van de mens in het paradijs

We moeten niet gering denken over het glorierijke leven dat Adam en Eva in het begin bezaten. God had hen volmaakt geschapen:

"Toch hebt Gij hem (=de mens) bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond." (Psalm 8:6, NBG1951)

Adam en Eva droegen geen kleding, maar waren bekleed met Gods heerlijkheid. Er was geen plaats voor de dood, ziekte of pijn. Ze waren elk op een eigen manier een afstraling van Gods heiligheid en liefde. Door de zonde zouden ze die goddelijke heerlijkheid later verliezen (Romeinen 3:23) maar in het begin hadden ze die nog volledig. Dat hield in dat ze een reine onbevangenheid hadden naar God en in volmaakte harmonie leefden met God, met hun omgeving, met elkaar en met zichzelf.

Toch hadden Adam en Eva nog niet hun uiteindelijke doel en geestelijke volwassenheid bereikt. Er lag nog een heel ontwikkelingstraject voor hen. Om te beginnen moest hun morele besef nog worden gevormd en moest hun trouw aan de Schepper nog worden getest.

 Volgend onderwerp: 2.4.2. Eerste echtpaar Adam en Eva 

HELPDESK

 

Beschrijving van allerlei bijzonderheden over de Herschepping Bijbelstudies.

- Wat is Herschepping?
- Achtergrond
- Vier aspecten
- Wijzigingen
- Copyright

 

 

 

 

Helpdesk

Zoekmogelijkheden
- Overzicht zoek­mogelijkheden
- Tips voor zoektermen
- Inhoudsopgave (kort)
- Inhoudsopgave (lang)
- Trefwoord index
- Bijbeltekst index

 

 

 

Helpdesk

Diversen
- PDF bestanden
- Vragen voor Bijbelkringen
- Thema's voor Bijbelkringen
- Thema's kerkelijk jaar

Herschepping Bijbelstudies - versie 3.1.