Terwijl Jezus aan het kruis hing waren er veel mensen die de spot met Hem dreven:
Deze bespottingen en vernederingen waren een wezenlijk onderdeel van Jezus' lijden. Misschien is het je opgevallen hoe compleet deze bespotting was. Mensen uit bijna alle kringen van de bevolking dreven openlijk de spot met Hem. Jezus heeft alle bespottingen systematisch genegeerd. Hij vond het niet nodig om erop te reageren. Deze mensen waren onbereikbaar voor Gods genade. Ze zouden toch niet naar Hem luisteren.
David, de voorvader van Jezus, moet iets hebben gezien van wat Jezus nu moest meemaken:
"Allen die mij zien, bespotten mij; zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd en zeggen: Hij heeft zijn zaak op de HEERE gewenteld - laat Die hem bevrijden! Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is." (Psalm 22:8-9, HSV2010)
Niet alle voorbijgangers dreven de spot met Jezus. Deze mensen keken naar Hem en liepen even later stilletjes verder. Ieder moet zo zijn eigen gedachten hebben gehad, zoals:
Zouden de volgende personen ook bij het kruis hebben gestaan?
Al deze mensen zouden een verschillende kijk op Jezus hebben gehad.
Wat moet er door moeder Maria heengegaan zijn toen ze bij het kruis van haar Zoon stond. Had de engel Gabriël haar niet verteld dat Hij de koning van Israël zou worden? Hoe kon het dan dat Hij aan zo'n vreselijk kruis hing te sterven? Ze dacht waarschijnlijk terug aan de profetie van Simeon, die hij uitsprak toen zij naar de tempel waren gekomen om een offer te brengen:
"... ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan ..." (Lucas 2:35, HSV2010)
Jezus had ook tijdens zijn onmenselijke lijden nog steeds oog voor de mensen om Hem heen. En speciaal voor zijn moeder Maria die tot het laatst bij Hem bleef. Nu haar man Jozef niet meer leefde, was Jezus als haar enige zoon verantwoordelijk voor zijn moeder. Nu Jezus die verantwoordelijkheid niet meer kon waarmaken, zou iemand zijn plaats moeten innemen. Johannes, de discipel van Jezus met wie Hij de meeste intieme band had, stond naast Maria aan de voet van het kruis. Jezus besloot aan Johannes te vragen om de zorg voor zijn moeder op zich te nemen:
"Toen Jezus zijn moeder zag en bij haar de leerling die hij liefhad, zei hij tegen zijn moeder: 'Dat is nu uw zoon,' en tegen zijn leerling: 'Dat is nu je moeder.' Van die dag af heeft de leerling haar bij zich in huis genomen. " (Johannes 19:26-27, GNB1996)
Behalve moeder Maria en Johannes noemt de Bijbel alleen nog een groepje vrouwen, die Jezus altijd trouw gevolgd hadden:
"Van een afstand keken ook enkele vrouwen toe, onder wie Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. Toen hij in Galilea verbleef, waren deze vrouwen hem gevolgd en hadden ze voor hem gezorgd, net als vele andere vrouwen die met hem waren meegereisd naar Jeruzalem." (Marcus 15:40-41, NBV2004)
De twaalf discipelen van Jezus waren opvallend afwezig bij het kruis, behalve Johannes. Waarschijnlijk waren ze bang dat ze ook gevangen genomen zouden worden, want ook na het sterven van Jezus hielden ze zich angstvallig verborgen.
Één van de gekruisigde criminelen nam het voor Jezus op toen de andere ook meedeed met het bespotten van Jezus:
"... Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond door onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan." (Lucas 23:40-41, NBV2004)
Hij had naar Jezus gekeken en voelde in zijn hart dat Hij rechtvaardig was. Hij wist dat Jezus veroordeeld was omdat Hij beweerde de messias, de koning van de Joden te zijn, want hij hoorde dat van alle kanten. En ... God liet hem zien dat het WAAR was: Hij was het ook! Er is veel inzicht nodig om in een ernstig toegetakelde man die zijn doodstrijd voert toch Jezus als koning te ontdekken, maar hij zag het. Als enige. De andere medestanders van Jezus rondom het kruis zagen zijn lijden en voelden zich waarschijnlijk teleurgesteld, verward en verslagen. Maar hij ZAG wie Jezus werkelijk was. Hij verzamelde al zijn krachten om een paar woorden tegen Jezus te zeggen. Maar in die ene zin klonk een geloof door dat groter was dan wat Jezus ooit bij zijn volgelingen was tegengekomen:
"... Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt ..." (Lucas 23:42, NBV2004)
Wat een vraag aan een stervende man! Waarschijnlijk wist hij weinig of niets van het koninkrijk van de hemel waar Jezus het steeds over had gehad. Maar hij moet in zijn hart hebben aangevoeld dat zijn stervende buurman écht een koning was die macht had tot voorbij de dood. Wat een geloof sprak er uit die paar woorden! Wat een diepe blijdschap moeten ze aan Jezus hebben gegeven.
Het antwoord van Jezus was kort en duidelijk:
"... Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn." (Lucas 23:43, NBV2004)
En enkele uren later zouden Jezus en de gerechtvaardigde ex-crimineel elkaar juichend begroeten, aan de overkant van de dood die daar geen macht meer over hen zou hebben.